
1
FRANKFURT
Vrijdag 22 september 2023
---
De zon brandde fel op het asfalt van de Duitse snelweg die zich eindeloos voor haar uitstrekte. Ze had veel te lang haar blik strak op de weg gehouden, terwijl haar gedachten alle kanten op gingen, als een oneindige stroom waaruit ze maar niet wist te ontsnappen.
Ze zette haar zonnebril af en legde hem in het bakje tussen de stoelen. Met de vingertoppen van haar rechterhand wreef ze over haar slaap. Ze kneep even in haar neusbrug, waarna ze haar vingers over haar wallen liet glijden, van de ene ooghoek naar de andere.
Hoelang reed ze al in deze stilte? Naast haar was Margot nog steeds diep in slaap, haar hoofd rustend op het vest dat ze bij wijze van kussen tegen het zijraampje had gelegd. Haar lange rode haar lichtte fel op in het zonlicht.
Ineens kwam de verstikkende spanning, die even naar de achtergrond was verdwenen, op volle kracht terug. Wat was ze in godsnaam aan het doen? Waarom zat ze, samen met een vrouw die ze nauwelijks kende, in haar auto om een reis van drieduizend kilometer af te leggen? Hoe had ze dit in haar malle hoofd gehaald? Ze klemde haar zweterige handen nog eens extra stevig om het stuur.
Jarenlang was het haar gelukt een scherpe lijn te trekken tussen toen en nu, tussen daar en hier. Ze had ervoor gekozen vooral in het heden te leven, in een overzichtelijke en ordelijke wereld die haar deed denken aan een compositie van Mondriaan. Een grote reproductie van Tableau 1 hing al jaren aan de muur in haar gang. Maar drie weken geleden waren die strakke lijnen in haar binnenwereld plotseling afgebrokkeld en begonnen de eerst zo zorgvuldig gescheiden kleuren in elkaar over te lopen.
Toen ze op die bewuste zaterdag onderweg was geweest naar oom Fahím, was alles nog zoals het hoorde te zijn. Op de terugweg was niets meer hetzelfde. De stad leek in een dichte mist gehuld, alsof alle wolken uit de hemel waren neergedaald om haar te verbergen – wat totaal geen zin had. De aarde leek zich tegen haar te hebben gekeerd en bood geen schuilplaats meer, weigerde zelfs haar op te slokken. Het voelde alsof elke straatsteen, elke brugleuning en elke boom haar beschuldigend aankeek. Zelfs de ramen van de gebouwen leken veranderd in wijd opengesperde ogen die haar vermanend volgden.
Twee nachten had ze geen oog dichtgedaan. Pas op maandagochtend, bij het eerste licht van de zonsopgang, had ze de dikke gordijnen van verwarring een stukje opzij kunnen schuiven. Toen had ze de knoop doorgehakt. Voordat ze naar haar werk ging had ze Margot een bericht gestuurd. En nu, drie weken later, zaten ze samen in de auto, met Athene als eindbestemming.
Opnieuw sloeg de twijfel toe. Had ze niet beter gewoon haar nederlaag kunnen erkennen? Doorgaan met haar comfortabele luxeleventje? Toegeven dat ze in de kern een nietig, lafhartig mens was? Dat geen enkele onderneming – zelfs deze niet – daar ooit iets aan zou veranderen? Ze wist toch dat de schade nooit, never, jamais, hargiz ongedaan gemaakt kon worden? Wat ze nu deed was niets anders dan een wanhopige poging om haar eigen hachje te redden. Massomá had daar niets meer aan.
Maar nee, het was te laat voor twijfel. Te laat, uiltje! Ze zat achter het stuur en kon niet meer terug. De vrouw naast haar had tenminste een doel voor ogen. Misschien moest ze het gewoon zo zien: zij, Widá Dost, reisde dwars door Europa om Margot te helpen met haar research.
'Hé, ik heb echt geslapen,' zei Margot. Ze keek zoekend om zich heen. 'Waar zijn we ongeveer?'
'Bij Keulen,' zei Widá. 'Over een uur of twee komen we aan bij het adres van vanavond. Het is wel een beetje aan de vroege kant, ze verwachten ons pas na vijven. Misschien moeten we even pauzeren.'
'Goed plan. Ik zou wel een kop koffie lusten.' Margot strekte haar bovenlijf. 'Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan, door de spanning denk ik.' Dit had ze ook gezegd toen Widá haar aan het begin van de middag in Amersfoort oppikte en ze met haar koffer en tassen voor haar voeten had klaargestaan op de stoep voor haar huis.
'Ik ben benieuwd naar de familie die we straks treffen,' zei Margot toen ze even later in een wegrestaurant zaten. 'De vrouw van dit echtpaar is de zus van je Afghaanse collega, toch? Of was dit de vriendin van je moeder?'
'Dat eerste. Morgen verblijven we bij de vriendin van mijn moeder.'
Het raam van het restaurant keek uit op de parkeerplaats. Daarachter zoefden auto's voorbij op de snelweg. Widá hoopte dat de komende drie dagen ook zo snel voorbij zouden gaan. Ze zag vooral op tegen morgenavond, want hoe had ze ooit kunnen denken dat het een goed idee was om de nacht door te brengen bij madárs beste vriendin?
'Zou je een beetje willen tolken vanavond, mocht dat nodig zijn?' vroeg Margot. 'Als bijvoorbeeld blijkt dat hun Engels tekortschiet, of mijn Duits. Of wanneer je ziet dat ik dingen niet begrijp.'
'Ik weet niet of dat een goed idee is.' Widá nam een slokje uit haar kartonnen beker. De thee was eigenlijk nog te heet. 'Ik kan niet vertalen zonder te interpreteren. Het is beter als je gewoon probeert rechtstreeks met ze te praten, dan maak je echt contact en krijg je meer informatie.'
'Ik vind het nu opeens een beetje spannend,' zei Margot. Ze lachte even ongemakkelijk. 'Ik weet dat het mijn eigen idee was, maar het is nogal wat om zomaar bij onbekenden te gaan logeren en ze vragen te stellen over hun leven.'
Had ze daar al die moeite voor gedaan?
'Ik ken ze evenmin, voor mij voelt het ook erg ongemakkelijk. Maar ze hebben zelf aangegeven ons graag te willen ontvangen. Vanochtend appten ze nogmaals dat hun logeerkamer voor ons klaarstaat. We kunnen ze nu niet meer afbellen, daarvoor is het te laat.'
'O, maar zo bedoel ik het helemaal niet.' Margot liet opnieuw een ongemakkelijk lachje horen. 'Ik wil het graag, ik zeg alleen dat ik het spannend vind. Als ze ons maar aardig vinden, Wido.'
Widá rolde onwillekeurig met haar ogen. Ze had Margot een paar keer verbeterd, maar die kreeg het blijkbaar niet voor elkaar haar naam correct uit te spreken. Nu liet ze het maar. 'Maak je geen zorgen,' zei ze, 'het komt vast goed vanavond. Afghanen leggen met alle liefde dingen uit over hun land, hun cultuur en hun leven. Mijn inschatting is dat het een latertje wordt voor je.'
'Voor mij alleen?'
'Ja, ik denk dat het het beste is als ik op tijd ga slapen,' zei ze. 'Morgen hebben we weer een lange dag voor de boeg en in ieder geval één van ons moet uitgerust zijn.'
'Hmm, maar wil je wachten met naar bed gaan tot je ziet dat ik me op m'n gemak voel en de gesprekken goed verlopen?'
'Tuurlijk,' zei ze. 'Zullen we nu weer gaan rijden?'
Toen ze weer in de auto zaten, pakte Margot haar mobiel. 'Je krijgt de groeten van mijn moeder,' zei ze even later.
'Groetjes terug. Wat heb je haar over mij verteld?'
'Alles wat ik weet. En dat vond ze veel te weinig om zich een goed beeld van je te kunnen vormen, haha.'
Widá lachte ook. 'Wel genoeg informatie om gerust te zijn dat je bij mij veilig bent, mag ik hopen.'
'Dat wel,' zei Margot. 'Maar dat kwam vooral doordat we elkaar kennen via Mariëlle en dat mama weet dat zij dol op je is.'
'O ja, dat was ik even vergeten.'
'Ze is mama's lievelingsnichtje,' ging Margot verder. 'Niet alleen omdat ze psychiater is, maar gewoon omdat ze een schat van een mens is. Vind je ook niet?'
'Zeker.' Ze meende wat ze zei. Ze werkte al meer dan tien jaar samen met Mariëlle en beschouwde haar inmiddels als een vriendin.
'Maar weet je waar mijn moeder zich wel een beetje zorgen om maakte?' Margot lachte weer. 'Of nee, ze was er een beetje verbaasd over…'
'Nee. Wat dan?' Ze veranderde van rijbaan. Het werd steeds drukker op de weg, ze hoopte niet dat ze in een file terecht zouden komen.
'Dat jij me, toen ik je een paar maanden geleden vroeg of je met mij naar Athene wilde, resoluut afwees,' zei Margot. 'Niet dat ik jouw reactie destijds vreemd vond, hoor. Ik snapte het heel goed, we kenden elkaar helemaal niet en het kwam voor jou uit het niets.'
Widá zag het nog voor zich. Het was Mariëlles verjaardag geweest, ze had net wat hapjes op een bord geschept toen Margot opeens voor haar had gestaan.
'Ik zei bij mezelf: probeer het maar, niet geschoten is altijd mis. Dat had Mariëlle ook gezegd. Het zat toen al een tijdje in mijn hoofd dat ik deze reis moest maken voordat ik met het schrijven van mijn boek kon beginnen.'
Het verkeer reed nu erg langzaam, maar er zat gelukkig nog beweging in.
'Maar toen je nee zei, gaf ik het op. Ik wist ook niemand anders met wie ik deze reis zou kunnen maken. Toen je laatst opeens belde en vroeg of ik nog steeds naar Athene wilde rijden, was ik zo blij dat mijn plan alsnog door kon gaan dat ik me niet afvroeg waarom je van gedachten was veranderd en waarom het opeens zelfs op stel en sprong moest. Maar mama vond het vreemd.'
'Ik ben blij dat je snel kon aangeven wanneer je beschikbaar was.' Ook op haar werk had iedereen verbaasd gereageerd op haar plotselinge aankondiging dat ze diezelfde maand nog haar vakantiedagen wilde opnemen. Zoiets deed ze anders nooit. Mariëlle wilde gelukkig waarnemen voor haar patiënten. Ook zij was verrast geweest, maar vooral blij dat het project van haar nicht op deze manier door kon gaan.
Had ze Margots moeder toen op die verjaardag ontmoet? Ze wist het niet meer. Nu probeerde ze zich haar voor te stellen – een al wat oudere vrouw, zittend op een tuinstoel, genietend van het zonnetje op een mooie nazomerdag. Op haar schoot een klein hondje dat ze aait. Met in haar andere hand een mobieltje. Op het scherm verschijnt een bericht van haar dochter: 'Mam, deze vrouw is een beetje saai, ik moet echt mijn best doen om het gesprek gaande te houden. Maar het komt goed, mam. Ik heb er heel veel zin in. xxx Margot'.
'Binnenpretje?' vroeg Margot. 'Je lacht in jezelf.'
'Ja, inderdaad, een binnenpretje.' Het beeld van Margots moeder spatte uiteen. Widá staarde naar de massa auto's voor hen. Ze stonden nu daadwerkelijk in de file.
'Praat je eigenlijk altijd zo weinig?' vroeg Margot. 'Ik blijf maar ratelen en jij valt telkens stil. Van stiltes word ik onzeker. Haha. Nee hoor, grapje.'
'Ik ben inderdaad niet zo'n prater,' zei ze. Dat was niet helemaal waar. Soms praatte ze heel veel, met sommige mensen kon ze aan één stuk door blijven kletsen. Als Baktash zou horen wat ze net beweerd had, zou hij… Nee, niet over hem beginnen. De afgelopen weken waren er al genoeg oude wonden opengereten, die van hem kon ze er niet bij hebben. Blijf weg, lieve Baktash!
'Hoe oud was je precies toen je naar Nederland kwam?' Margot wist van geen ophouden.
'Zestien.'
'Je hebt in een azc moeten wonen, toch?'
'Ja, dat klopt.'
'Niet te geloven. Jezus, jouw verhaal zou zo gaaf zijn voor het boek… Je hebt een oorlog meegemaakt, bent gevlucht, en moet je je nu eens zien… Ik ben ook zo benieuwd naar de rest van je verhaal.'
Ze moest nu ingrijpen. 'Sorry als ik een beetje bot klink,' zei ze, 'maar ik moet je één ding duidelijk maken en dat kan ik beter nu doen dan op de laatste dag. Ik ben je reisgenoot, niet een van je onderzoeksrespondenten, in ieder geval niet met mijn eigen ervaringen. Natuurlijk mogen we persoonlijke verhalen met elkaar delen, dat zal vanzelf gebeuren. Maar net zoals ik jouw levensverhaal niet zomaar kan en mag gebruiken voor bijvoorbeeld een lezing op een congres, zo wil ik niet dat jij aan de haal gaat met mijn verhalen.'
Margot viel stil. Was ze te hard geweest?
Meter voor meter naderden ze de ring van Frankfurt. Wat een file!
'Goed dat je duidelijk bent,' klonk het ten slotte naast haar. 'Ik snap het, hoor. Je moet het gewoon aangeven als ik een vraag stel die je niet leuk vindt. En ik zal je persoonlijke verhalen niet meenemen in mijn onderzoek. Dat beloof ik.'
'Dank je wel. Ik zal je natuurlijk wel veel over Afghanistan vertellen en je ook helpen om de feiten te verifiëren in de verhalen die je verzamelt.' Naast hen stond een rode auto stil. Een kleuter met blonde krullen keek met een verveeld gezicht uit het raam. Widá zwaaide. Het meisje glimlachte verlegen en zwaaide terug.
'Zal ik je dan over mezelf vertellen?' Margot klonk nog steeds wat nerveus.
'Ja, graag.'
'Ik ben dus enig kind,' begon Margot. 'Mijn ouders zijn gescheiden toen ik achttien was, net voordat ik op kamers ging voor mijn studie journalistiek. Daarna heb ik jarenlang in Den Haag gewoond vanwege mijn werk. Maar uiteindelijk ben ik weer teruggekeerd naar Amersfoort, dicht bij mijn moeder. Op de een of andere manier voel ik me verantwoordelijk voor haar en heb ik het gevoel voor haar te moeten zorgen. Ze woont alleen. Mijn vader is inmiddels hertrouwd en woont in Bussum. Volgens mij heb ik je dit allemaal al eens verteld.'
'Ja, het meeste wel. Maar levensverhalen worden nooit saai, je vertelt ze honderd keer en elke keer ontdek je er iets nieuws in.' Kan het nog clichématiger, Widá?